STR-Belgium reageert op de tussenkomst van minister-president Rudi Vervoort op Bel RTL op dinsdag 21 november.

Nieuwe regels voor Airbnb-woningen in Brussel: “Vaak is het voortdurend feest” | RTL Info

Blijkbaar lijkt de minister-president zijn electoraat te willen behagen in aanloop naar een volgend parlementair debat over het ontwerp van nieuwe ordonnantie die het regelgevend kader voor toeristische accommodaties moet vastleggen. Het komt ons voor dat door deze positie in te nemen, de mening van de Brusselse burgers eenvoudigweg niet wordt meegenomen, wegens een gebrek aan objectieve informatie over de problematiek in haar geheel. Het lijkt ons daarom aangewezen om verduidelijkende elementen aan te brengen op basis van de verschillende uitspraken van de minister-president:

  • “Er bestaat al een ordonnantie”: ja — en dat al bijna 10 jaar (8 mei 2014) — die heeft geleid tot de explosie van een grotendeels clandestiene markt, ten nadele van iedereen (burgers, toeristen, hotelsector, sector van toeristische verblijven). En de nieuwe ordonnantie blijft een verbodsbeleid uitvoeren…
  • “Het is een fenomeen dat men in alle steden tegenkomt en dat vooral tot gevolg heeft dat bewoners uit historische centra worden verdreven”: het eerste doel van niet-hotelmatige toeristische accommodatie is een toerist te ontvangen, voor vrije tijd of business, en niet om bewoners te verdrijven. Het is mogelijk om te profiteren van de positieve effecten van dit nieuwe consumptiemodel terwijl men de potentiële negatieve effecten beheerst — die bovendien nog moeten worden aangetoond. Dat gebeurt via een reguleringsbeleid van het aanbod, zowel particulier als professioneel, en niet via een verbodsbeleid dat leidt tot de huidige clandestiene markt.
  • “Het is rendabeler om via Airbnb te verhuren dan via een klassieke verhuur”: kwalitatief toeristisch verblijf aanbieden vergt werk en men kan de inkomsten van beide activiteiten dus niet rechtstreeks vergelijken. Het brengt inderdaad meer op, maar men moet ook het arbeidsinkomen naast het eigendomsinkomen bekijken, evenals de kosten die met de activiteit gepaard gaan.
  • “Wat wij beogen, is het beschermen van wonen”: degelijk en betaalbaar wonen voor Brusselaars moet uiteraard een prioriteit van de regering zijn. De vraag is of de sector van kortetermijnverhuur het zondebok moet worden van een decennialang onzeker beheer van deze thematiek. Zie artikel: Le Soir: “Een verband gelegd tussen de aanwezigheid van Airbnb en de stijging van de huurprijzen”. STR-Belgium reageert en pleit voor een genuanceerd en transversaal debat.
  • “Vaak, wanneer je Airbnbs in gebouwen hebt, is het voortdurend feest”: dit is in de eerste plaats zeer reductief en getuigt van weinig respect voor talrijke reizigers (ook Brusselaars) die het Airbnb-platform (of andere) gebruiken en die zeer respectvol omgaan met de woning die zij in het buitenland huren. Het is ook een achterhaald electoraal argument, aangezien er een evidente oplossing bestaat — overigens al toegepast door professionele spelers in heel Europa: slimme geluidsmeters en gespecialiseerde dienstverleners voor het behoud van de openbare rust. Helaas is er geen spoor van enige verplichting hierover in het ontwerp van nieuwe ordonnantie…?! Nochtans bestaat er een kans om de sector naar een hoger niveau te tillen (labeling, …).
  • “Voor toeristen moeten deze woningen voldoen aan veiligheidsnormen”: ook dat is voor ons een prioriteit. Alleen kan dit doel niet worden bereikt in een clandestiene markt. Bovendien vergeet de minister-president een fundamenteel begrip, naast de veiligheid van de toerist: de bescherming van zijn belangen in brede zin. Door het aanbod aan toeristische verblijven te vernietigen, zullen de hotelkamerprijzen onvermijdelijk stijgen. Dat is niet goed voor de toerist — die zich mogelijk van Brussel afkeert — noch voor de Brusselse economie en haar handels- en horecasector, die hun bezoekersaantallen kunnen zien dalen.
  • “Men moet de collaboratieve verhuur niet volledig ‘verwerpen’, het is zoals Uber en andere”: hoewel bepaalde analogieën mogelijk zijn, spreken we niet over hetzelfde. Als het verschil in dienstverlening voor de consument tussen een taxi en een Uber moeilijk waarneembaar is (vervoer van punt A naar punt B), biedt een toeristische verblijfseenheid volledig andere diensten dan een hotel (autonomie, onafhankelijkheid, ervaring, …). De covidcrisis heeft de verwachtingen van consumenten bovendien zodanig veranderd dat de evolutie van de vraag in de sector van toeristische verblijven noch kan worden genegeerd, noch kan worden ondergebracht in de deeleconomie. Zie de Eurostat-cijfers over de evolutie tussen 2023 en andere jaren.
  • En last but not least — “De hotelsector is een economische sector, het is logisch dat we die beschermen…”
  • Mijnheer de minister-president, u kunt de Eurostat-cijfers niet ontkennen, u kunt het volledige ecosysteem van dienstverlenende bedrijven rond onze activiteit niet ontkennen, en u kunt de negatieve impact die uw verbodsbeleid zal hebben op de horecasector niet ontkennen. Mijnheer de minister-president, de sector van toeristische verblijven is wel degelijk een economische sector die bijdraagt — en zal blijven bijdragen — aan de economische aantrekkelijkheid van Brussel, in complementariteit met hotels.
  • En wat de minister-president niet heeft gezegd: niets over de lopende procedure die door de Europese Commissie werd opgestart tegen het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (via de lidstaat België), noch over hoe het Gewest zich samen met het federale niveau zal organiseren om het reguleringsbeleid van de Europese Unie uit te voeren (implementatie in 2024-2025, effectieve invoering in 2026). En verder: hoe zit het met de verbanden tussen het traject van de nieuwe ordonnantie en dat van de herziening van het PRAS (Share the City) (2026)?

In fine, veel electoralisme in deze tussenkomst, maar helaas weinig inhoud.